Deze instelling is het belangrijkste besluitvormingsorgaan van de Europese Unie. Dat betekent dat de Raad (vaak samen met het Europees Parlement) besluit welke wetten en regels voor de lidstaten van de EU gelden.

Van iedere lidstaat zit er één minister in de Raad, daarom wordt de Raad van de Europese Unie ook vaak de Raad van Ministers genoemd. Welke minister dat is, hangt af van het onderwerp dat in de vergadering wordt besproken. Gaat de vergadering over de eurocrisis, dan zal de Nederlandse minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan tafel zitten. Gaat de vergadering over militairen in Afghanistan, dan zal de Nederlandse minister van Defensie aan de vergadering deelnemen. Als een minister in de Raad zijn handtekening zet onder een besluit dan betekent dit dat zijn land aan het besluit gebonden is.

Meestal komt de Raad van Ministers bij elkaar in Brussel, maar in april, juni en oktober in Luxemburg. De Raad heeft ook een voorzitter. Die bepaalt over welke onderwerpen er zal worden gepraat. De lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat ieder land om de beurt voor zes maanden voorzitter mag zijn. Op dit moment is Polen de voorzitter, maar vanaf januari zal Denemarken dat zijn.

Beslissingen

Het is in de Raad van Ministers niet makkelijk om besluiten te nemen. Dit komt doordat het aantal stemmen dat een land heeft afhankelijk is van het aantal mensen dat in het land woont. In totaal hebben de 27 lidstaten samen 345 stemmen te verdelen. Per land ziet dit er als volgt uit:

 

Aantal stemen

Percentage

Land(en)

29

8,4

Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk

27

7,8

Spanje en Polen

14

4,1

Roemenië

13

3,8

Nederland

12

3,5

België, Griekenland, Portugal, Tsjechië en Hongarije

10

2,9

Bulgarije, Oostenrijk en Zweden

7

2,0

Denemarken, Ierland, Finland, Slowakije en Litouwen

4

1,2

Luxemburg, Cyprus, Estland, Letland en Slovenië

3

0,9

Malta

Stemverdeling

Bij heel ingewikkelde onderwerpen (bijvoorbeeld: de vraag of Turkije toe moet treden tot de EU) kunnen besluiten alleen genomen worden als alle lidstaten het ermee eens zijn. Dit heet met een duur woord 'beslissingen met eenparigheid van stemmen'. Als één lidstaat het niet met een voorstel eens is, wordt het voorstel niet aangenomen. Die lidstaat maakt dan gebruik van het zogenaamde vetorecht.

Maar meestal worden in Europa besluiten genomen met 'gekwalificeerde meerderheid van stemmen'. Dat houdt in dat van het totaal aantal stemmen van alle landen samen (345) er minstens 255 stemmen voor een besluit moeten zijn. Dus als er meer dan 90 stemmen tegen zijn gaat het voorstel niet door.

Daarbij komt nog de regel dat de 255 stemmen van minstens 14 lidstaten moeten komen. Het kan dus voorkomen dat een voorstel 255 stemmen of meer krijgt, maar toch wordt afgewezen omdat de stemmen door 13 landen of minder worden uitgebracht. Dat is om te voorkomen dat een kleine groep grote landen zijn wil kan opleggen aan de andere, kleinere landen.

Nederland heeft 13 stemmen in de Raad van Ministers. Vergeleken met Malta is dat veel, maar kijk je naar Duitsland en Frankrijk, dan is 13 stemmen niet zo veel. Toch zijn er van de 27 landen maar 7 landen die meer stemmen hebben dan Nederland.

Wil je meer weten? Kijk dan op Europa-nu.nl

 
 
  • Contact
  • Home