Geldbiljetten op dienblad

 

1.

Achtergrond van het beleid

Toen de Europese Unie in 1957 werd opgericht, hadden de deelnemende landen als doel om een gezamenlijke handelsmarkt te vormen. Door de tijd heen werd duidelijk dat een verdere samenwerking op economisch en monetair gebied nodig was om te profiteren van een gemeenschappelijke markt en een betere werking van de hele Europese economie. Door de verdergaande samenwerking zijn meer banen en welvaart ontstaan voor de inwoners van de EU. In 1991 werd met het Verdrag van Maastricht zelfs besloten om te streven naar een sterke Europese munt in de 21e eeuw.

Het economisch en monetair beleid heeft doelen op verschillende termijnen.

Korte termijn

Op deze termijn, die tot ca. 1 jaar in de toekomst strekt, wil de EU met name economische stabiliteit behouden. Zo moeten er bijvoorbeeld voldoende banen zijn en moet de koopkracht worden behouden of verbeterd.

Middellange termijn

Op deze termijn (ca. 1 tot 10 jaar in de toekomst) is het voornamelijk van belang om de groeimogelijkheden voor de economie te behouden. Hierbij wil de EU dat de lidstaten een gezonde begroting en een evenwichtige arbeidsmarkt hebben en dat de euro waardevast is.

Lange termijn

Dit gaat om ontwikkelingen die zich strekken voorbij 10 jaar in de toekomst. Op deze termijn spelen verschijnselen als vergrijzing, klimaatverandering en globalisering een belangrijke rol. Verschijnselen op de lange termijn verdienen meer dan op de korte termijn de aandacht van de gehele EU, omdat de oplossingen voor de problemen vaak ook pas werken op de lange termijn en pas als ze breed worden toegepast .

2.

Aspecten van het huidige beleid

  • Gevorderde economische integratie: eurobeleid

    In zestien EU-landen kan met euro's worden betaald: België, Cyprus, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije en Spanje.

    Ook de andere lidstaten hebben zich bij toetreding tot de Unie verplicht om op termijn de euro in te voeren. Zij moeten dan wel eerst voldoen aan bepaalde voorwaarden die de Europese Unie heeft opgesteld. Zo mag een land bijvoorbeeld niet teveel schulden hebben.


    De Europese Unie is in de loop van haar bestaan één van de grootste handelsblokken ter wereld geworden. Van alle handel wereldwijd wordt 20% door de EU bedreven. Daarnaast is de euro een zeer sterke internationale valuta geworden.

    De EU houdt contact met veel landen en financiële instellingen. Via die weg probeert ze grip te houden op het proces van economische integratie. Uiteindelijk doel is meer welvaart en stabiliteit in de EU en, waar mogelijk, in de rest van de wereld.

3.

Ontwikkelingen in het beleid

Europese financiële waakhonden

Op 2 december 2009 hebben de Europese ministers van Financiën in Brussel besloten tot de oprichting van drie toezichthouders voor de financiële markten. Zo komt er een Europese toezichthouder voor de banken, een Europese toezichthouder voor verzekeraars en pensioenfondsen, en een Europese toezichthouder voor leningen en aandelenmarkten.

Dit besluit komt voort uit het idee dat een verbeterd financieel toezicht de Europese economie kan behoeden voor de gevolgen van een toekomstige economische crisis zoals degene die de wereld in 2007 en 2008 in haar greep hield.

Op 27 januari 2010 heeft het Europees Parlement een hoorzitting gehouden waarin experts uit de financiële sector werd gevraagd naar hun deskundige mening over het bovengenoemde voorstel van de EU-ministers. Daarbij bleek dat een meerderheid van de Europarlementariërs voorstander is van het spoedig oprichten van de voorgestelde Europese toezichthouders. Over de omvang van deze toekomstige organisaties en de onderlinge afstemming van het takenpakket bestaat echter nog enige onduidelijkheid. Het Europees Parlement verwacht hier eind februari 2010 meer duidelijkheid over te kunnen geven.

4.

Wie doet wat?

  • Contact
  • Home